Westzijde

1974 - 1975 Westzijde 240, Zaandam

(21 februari 1974) In het pand op de Westzijde woont een koppel zonder kinderen. Wij kunnen een kamertje krijgen ergens achter en boven het eigenlijke huis. Het is heel klein. Er is ook een keukentje bij. Ik zie me nog varkenslapjes bakken voor in de bami.

Ergens begin 1974 blijft Marianne haar menstruatie uit. Ik doe een zwangerschapstest, maar die blijkt negatief. Drie maanden later doe ik de test opnieuw. Nu is de test wel positief! Ik vind het fantastisch, al heb ik geen idee wat me te wachten staat.

Dit betekent ook dat er wellicht getrouwd moet worden. Papa zegt dat wij 1500 gulden van hem krijgen als we dat ook daadwerkelijk doen en zij het trouwfeest mogen verzorgen. Dat aanbod slaan we niet af en een trouwerij wordt in gang gezet. De trouwerij vindt plaats in het gemeentehuis van Obdam op 7 maart 1974. Ik heb een wit pak aan, à la John Lennon en Marianne draagt een donkerblauwe jurk met gele bloemen en dito hoed. Er is ook nog een etentje achteraf in café Breg. Ik herinner me ook nog ome Jan Budding die een jas met slippen draagt en eruit ziet als een pinguïn. Voor de uitnodigingen maak ik een grappig bedoelde, maar vreemd uitziende flyer in SF/horror-stijl waar onze sterrenbeelden in staan, een ankh-sleutel en een bindrune (astrologie en rune-symbolisme zijn hobby’s in die tijd). De flyer moet ook tonen dat wij als freaks eigenlijk weinig op hebben met dit ‘burgerlijk gedoe’. We laten ze ook niet drukken, maar gebruiken fotokopieën.

Een tijdje later (?) moet ik in militaire dienst. Ik heb al twee keer afstel gekregen via de dienst Militaire Zaken in Zaandam, maar dit keer is het raak. Daarvòòr ben ik al een keer naar de keuring geweest. Om afgekeurd te raken doe ik vieze, stinkende kleding aan van onder uit de waston, mijn hoed op en een zonnebril. Tijdens de keuring zelf stellen ze mij pertinente vragen als ‘hoe vaak ik masturbeer en of ik drugs gebruik’. Ik vertel die dokter dat hem dat niets aangaat en dat ik hem toch ook niet vraag of hij veel zuipt. Het trucje werkt niet en ik wordt goedgekeurd.

Ik wordt naar Ede-Wageningen gestuurd en ingedeeld bij de bravo-compagnie van de lichte luchtdoelartillerie in de Johan Willem Frisokazerne. Wat een ramp. Ik word ingezworen en krijg een geweer (een FAL) en een bed op een gemeenschappelijke slaapkamer in een barak met nog 13 à 14 andere jongens. Mijn spullen moeten in een metalen kast, de PSU, naast mijn bed. Het doel van mijn batterij is het in stelling brengen van een geschut, dat samen met nog twee andere geschutstukken bediend wordt door een radarwagen. Ik vind het schokkend om te horen dat overvliegende vliegtuigen geen schijn van kans hebben. Elk schot is automatisch raak. Ik hoor ook wat de gemiddelde overlevingsduur is van een soldaat zoals ik in een moderne oorlog. Slechts een paar minuten! Ik besluit om alles te saboteren wat ik maar kan saboteren (zolang ik er zelf maar niet al te veel onder lijd). Zoals bijvoorbeeld het halen van het MLV-speldje (militaire lichamelijke vaardigheid). Bij het hardlopen ga ik, samen met mijn maat Jan, zo langzaam mogelijk wandelen. Bij het granaat werpen, laten we die gewoon voor ons op de grond vallen. Missie geslaagd. Geen speldje voor ons dus. Bij schietoefeningen mikken we op de palen waar de doelschijven op staan. Helaas zijn we dus geen goede schutters. Wel mag ik nooit meer schieten. We moeten ook leren marcheren. Het is ontzettend vreemd dat als iemand ‘rechts af’ roept, dat ik dit ook moet doen. Ik heb er beslist niet om gevraagd om bevolen te worden. Helemaal verbluffend is dat het me verboden wordt om met mijn handen in de zakken te lopen. Ik vind dat ik dat toch zelf moet weten.

Jan, ik en een jongen, die we, wegens zijn ‘ziekenfondsbrilletje’, de ‘prof’ noemen, zijn de blowers van de batterij. De prof neemt soms stuff mee en plotseling is zelfs marcheren leuk. Ach, het stoned zijn verjaagt de verveling, want daar hebben we nog het meest last van. Grappig is dat onze sergeant tijdens het oefenen van het in stelling brengen van het geschut waarschuwt dat soldaten die betrapt worden bij het gebruiken van drugs er van zullen lusten. Ondertussen staan wij gewoon te blowen waar hij bijstaat ;-) Ik erger me ook aan de lessen vliegtuigherkenning (door mij ‘stratego’ genoemd), waarbij de vijand steevast uit het oosten komt. Volgens de leiding kàn die alleen maar uit het oosten komen. Het is natuurlijk nog steeds koude oorlog, vandaar.

Als er straf uitgedeeld wordt bestaat dit doorgaans uit het binnen moeten blijven tijdens het weekend. En dat is precies het ergste wat ze me kunnen aandoen. Bij het weigeren van het tillen van een kanonafuit tijdens een oefening moet ik me melden bij de commandant en wordt me dit koudweg medegedeeld. De kapitein verheft er zijn stem niet eens voor. Shocking!

Er wordt soms ook buiten op de heide geoefend. Wij moeten dan net doen alsof we enthousiast de vijand ontduiken en hem liggend in het struikgewas opwachten. Bespottelijk! Met geen mogelijkheid kan ik het hele gedoe serieus nemen (‘cowboytje spelen’). Ik moet er ook bijvertellen dat ik nogal bevooroordeeld ben. Zoiets als militaire dienst kàn volgens mij helemaal niet deugen. Het vaderland verdedigen, wat is dat nou voor flauwekul, ik zie daar geen enkele eer in. Aan de andere kant is het wel degelijk een enigszins zielloos en dom gebeuren...

Als we ‘s avonds vrijaf hebben gaan we wel eens naar het dorp. Er is niet veel te beleven. De meesten zuipen zich het lazarus. Gokken op de gokautomaat in het café, sjoelen met zo’n hovercraft sjoelbak. Jan, die trouwens uit Giessendam komt, kent hele goeie moppen die lang duren en langzaam verteld moeten worden. De mop van ‘Japie die iedereen kent’ vertelt hij als wij allebei stomdronken en apestoned zijn en terug naar de kazerne lopen. Zelden een leukere mop gehoord. Hij vertelt ook de mop van het miertje. Ik lig blauw. In Ede is er ook een protestants militair tehuis (PMT) waar we wel eens iets drinken.

Elk weekend kom ik dus naar huis. Met de trein. En elke maandag weer terug naar die ellende. Ik ruik nog de strontachtige, chemische geur die in de buurt van het station en het kazerneterrein hangt. Ik blijf soms wekenlang thuis omdat ik zogenaamd ziek ben, het kan me hoegenaamd niets schelen. Een keer komt de militaire controle-arts langs. Ik weet niet meer of hij mijn verhaaltje gelooft.

Ook onze huisbaas moet ingelicht worden over de komst van een baby binnen niet al te lange tijd. Die is daar niet blij mee en houdt ons voor dat we vals gespeeld hebben en dat we al wisten dat Marianne zwanger was toen we aanbelden voor hulp, wat niet waar is.

Hij ziet zich verplicht ons een ander huisje te geven, omdat er ook een baby moet kunnen slapen. We krijgen het één na laatste huisje aan de achterkant. Een huiskamertje met een keukentje en boven een kleine vliering. Achter ons huisje is nog een huisje waar ook een jong koppel woont. Ik geloof niet dat we veel contact hebben. Aan de achterkant van het huis loopt de Zaan. In de tuin loopt nota bene een koe rond! Ik maak zelf een boekenkast van hout en meubelverbind-dingen die we bij de Hubo kopen. Ons bed komt weer op de grond. Alle planten krijgen namen. Eén plantje is wel bijzonder, het heet Maria en is opgekweekt van bepaalde zaadjes die je wel in vogelvoer vindt.

Van dr. Schuitemaker krijgen we een wieg, die ik schilder en die we voorzien van een nieuwe ‘hemel’.

Aan het thuisfront is Marianne steeds zwangerder aan het worden en raakt haar diabetes helemaal van slag. Ze moet opgenomen worden in het Juliana Ziekenhuis.

Naar aanleiding hiervan schrijft haar gynaecoloog een brief met veel medische termen, bestemt voor mijn commandant. Ik moet uit de dienst ontslagen worden, zodat ik dagelijks Marianne bezoek kan brengen. Ik bezorg de brief aan de kapitein en moet daarna op oefening. Het is enorm koud en ik neem stiekem extra kleren mee in mijn rugzak. Tent opzetten in de nacht. Ze hebben een (mijn?) geweer gejat. Iedereen moet gaan zoeken. Pas als het geweer gevonden is mogen we gaan slapen. Ik heb de keukenspullen in mijn tent en mag alleen slapen. De tent is zo klein dat mijn oor buiten ligt. Het regent. De extra kleren maken mij niet warmer, integendeel. Ik hoor later dat je beter niets aanhebt in je slaapzak, dat isoleert beter. Om 4 uur ‘s morgens, ik slaap net, worden we al weer wakker gemaakt. We moeten ons wassen bij de waterwagen, waar ijspegels aan hangen. Ik denk het niet. Ergens tijdens de middag komt het verlossende nieuws: ik mag naar huis! Voorgoed! Ik wordt met de jeep naar de kazerne gereden. Bij het inpakken van mijn spullen merk ik dat ik twee groene legerjassen heb i.p.v. één. Ik wil er graag eentje houden. Het is me niet gelukt, waarom weet ik niet meer.

De internist van Marianne krijgt haar echter niet goed ingesteld. Ze moet overgebracht worden naar het Wilhelmina Gasthuis in Amsterdam waar een echte specialiste in zwangere diabetici Marianne zal begeleiden. Ik kan me haar naam niet meer herinneren. Wel een heel aardige dokter met grijs haar.

Naast Marianne ligt een Hindoestaans meisje met de naam Asha, wat ‘hoop’ betekent. We vinden dat beiden een mooie naam voor een dochter. Een naam voor een jongen hebben we al: Jury, naar Jury Gagarin.

Marianne breit en haakt ondertussen talloze kleertjes voor de baby die gaat komen. Wegens te heftige bloeddrukschommelingen moet Marianne ook op een zoutloos dieet. Ik proef een keer van haar brood en dat is dus echt niet te eten...

Ikzelf moet weer gaan werken op het baclab. Ze zijn verplicht om mij weer aan te nemen.

In mijn vrije tijd koop ik vaak voor 25 gulden hasj in een underground stripwinkel in de Kerkstraat in Amsterdam. Ik moet toch dikwijls in Amsterdam zijn om Marianne te bezoeken. De stuff wordt onder de toonbank verkocht en de jongen van de winkel heeft helaas niet altijd ‘merchandise’. Thuis blow ik me te pletter. Vaak zit ik dan boven op de vliering in het donker met een kaars, draai Meddle van Pink Floyd, Edgar Froese, Klaus Schulze of Tangerine Dream en probeer in een trance te raken. Eigenlijk gewoon een manier om me niet eenzaam te voelen. Ik koop soms ook bloemen voor Marianne in de bloemenwinkel bij de ingang van het WG. Ik herinner me nog de prachtige, blauwe artichok-bloemen.

Op 10 september 1974 krijg ik tijdens de middagpauze in de kantine van het ziekenhuis telefoon. Of ik direct naar het WG wil komen. De bevalling is begonnen...

Asha, het eerste jaar

De geboorte van Asha op 10 september 1974 in het Wilhelmina Gasthuis gaat niet van een leien dakje. Als ik aankom in de verloskamer wordt Marianne omringd door allerlei dokters en verpleegkundigen. Het water is al gebroken. Ik weet niet meer of er eerst een rustige periode is, maar op een gegeven moment gaat het allemaal erg snel. Er is iets met het kindje aan de hand (suikerspiegels?) en er moet nu echt een bevalling gebeuren. Er komt een infuus aan te pas geloof ik. Als het kind eraan komt krijg ik als taak om het bloed op te vangen. Veel bloed. Er wordt een vacuümpomp op het hoofdje aangebracht om de geboorte nog sneller te laten verlopen. Het is een enorm hectisch gebeuren. Als het kindje er helemaal is wordt het even omhoog gehouden en geconstateerd dat het een meisje is. Ik zie Asha in een flits en ze wordt al weggebracht. Dan moet de nageboorte nog komen. En die komt niet. Er wordt beslist dat de placenta operatief verwijderd moet worden. Marianne krijgt lachgas voor de verdoving en verdwijnt zingend naar de operatiekamer. Ik heb nu even een break en ga naar buiten om een sigaret te roken. Ik ben in een soort van shock. Ik realiseer me dat het allemaal ondanks alles toch goed verlopen is en voel me dankbaar.

Ik herinner me van de uren/dagen daarna niet veel. In elk geval doe ik één van die dagen aangifte van de geboorte ergens op het terrein van het WG.

Asha ligt in een couveuse en wordt soms bij het ziekbed van Marianne gebracht. Na een tijdje mag Marianne naar huis en gaan we samen elke dag naar het ziekenhuis om bij Asha te zijn. Ze ligt in een steriele ruimte en wij moeten beide steriele pakken aan en een muts op. Eerst mogen we alleen maar kijken. Later mogen we haar uit de couveuse halen en haar vasthouden voor een paar minuten en oefenen om haar een voeding te kunnen geven...

Het blijkt al snel dat er iets mis is met Asha. Het lukt niet goed om haar te voeden met een gewone speen. Achter in het gehemelte zit een gat, waardoor de meeste voeding door haar neus weer naar buiten komt. Ze moet gevoed worden via de neusgaten met een speciaal systeem van slangetjes, dat aan haar gezicht geplakt zit. Een heel gedoe. De dokters zeggen dat ze geboren is met een speciale afwijking die heel weinig voorkomt en die volgens hen niets te maken heeft met het feit dat Marianne diabetes heeft. Gewoon een foutje van de natuur. De afwijking wordt het syndroom van Pierre Robin genoemd. Asha heeft niet alleen een gat in haar gehemelte, maar ook een ingezakte borst en haar kin steekt niet naar voren. Later blijken er ook nog oogafwijkingen te zijn en een serieus gehoorverlies.

In het WG wordt een heel team van artsen, logopedisten en anderen ingeschakeld om Asha en ons te begeleiden. Dit wordt het ‘schisisteam’ genoemd. Ook kinderen met een ‘hazenlip’ worden door hen geholpen. Papa en mama zijn ongerust en vrezen een ‘probleemkindje’. De reactie van Marianne haar ouders weet ik niet meer.

Na een maand of 2 mogen we Asha eindelijk mee naar huis nemen, inclusief het voedingssysteem. Dat mogen we later vervangen door een zogenoemde ‘schapenspeen’ die veel langer is dan een gewone. Dat lukt ons goed. Ze krijgt Nutrilon systeemvoeding, die opgelost moet worden en vervolgens warm gemaakt. Op de pols proberen of het niet te warm is. Asha slaapt in het begin in haar wiegje bij ons in de woon/slaapkamer.

‘s Nachts voedingen geven. De eerste ruzie die ik met Marianne heb komt door het feit dat ik prima door het gehuil van Asha heen slaap, maar Marianne natuurlijk niet. Ik beloof om beter op te letten. Ik leer haar te wassen en te verschonen. Luiers uitspoelen. De was zelf doen we in de wasserette, waar we met de fiets naar toe gaan. Een tijdje later kopen we een mini-wasmachine.

Begin december zijn we nog met Asha in Obdam geweest om haar voor te stellen aan mijn papa en mama. Papa heeft zijn kleindochter dus maar even gekend, want een paar weken later op 23 december vertelt onze huisbaas dat ik mijn moeder moet bellen. In de telefooncel hoor ik dat papa de avond ervoor naar het ziekenhuis is gebracht wegens een hartaanval en dat hij even later overleden is. Een donderslag bij heldere hemel.

Ze wonen al een tijdje met zijn tweeën in het grote huis dat al een tijdje te koop staat. Ene Middelkoop (onsympathieke dikke man met een architectenbureau) wil het wel kopen, maar laat pas iets van zich horen na het overlijden van papa (die beloofd was conciërge te worden). Het bedrijf is failliet. De bejaarden zijn al een tijdje overgeplaatst en het personeel ontslagen.

Voor de begrafenis is er drie dagen lang condoleancebezoek. Zelfs Marianne haar moeder komt helpen broodjes smeren. Ook Dirk Jan is er (schijnt, want ik weet dat allemaal niet meer). Ida is met Rob die er ook bij is. Er wordt heel veel gedronken en zelfs gelachen (van de zenuwen).

Ik krijg het niet voor elkaar om het lichaam van papa te zien, zoals hij opgebaard ligt beneden in de grote ruimte. Ik vind het te confronterend, ook al wordt er behoorlijke druk uitgeoefend om het toch te doen. Ik zou er anders spijt van krijgen wordt er gezegd. Ik denk dat het ook komt omdat ik al die tijd nog kwaad op hem bent geweest. Van de begrafenis zelf weet ik niet veel meer. Er is wel heel veel volk, zelfs ‘ome’ Sjon uit de Pasteurstraat is er. De begrafenis wordt geregeld door ‘ome’ Leo, die parttime begrafenis-ondernemer is. Een stoet over straat naar de begraafplaats vlakbij. Mama die door ons gesteund wordt. De koffie met broodjes in café Breg. Ome Henny en neef Ton die mij zwijgend de hand schudden. Ik ben zelf de hele tijd in een soort doffe trance en voel me leeg en onverschillig.

‘s Avonds slaan de stoppen van mama door. Er ontstaat een trieste vertoning. Ome Jan en tante Ineke zijn er ook bij. Ome Leo ook. Ik denk dat ome Leo toen geregeld heeft dat ze wordt opgenomen.

Ida heeft nog een tijdje alleen in het oude huis gewoond. Er is wel een enorme schuld op dat huis. Die wordt mama kwijtgescholden en Ida en ik doen afstand van erfenis. Later verhuizen Ida en mama naar een nieuwbouwwoning in Obdam. Ida trouwt vervolgens met Rob en gaat in Alkmaar wonen.

Mama leert een man uit Enschede kennen en het schijnt dat ik en Marianne, Ida en Rob geholpen hebben met de verhuizing naar Enschede, maar ik weet daar niets meer van. Mama krijgt daar na een tijdje een psychotische episode en wordt opgenomen in Duin en Bosch in Castricum. Van daaruit komt ze in een gezinsvervangend tehuis in Wijk aan Zee terecht en leert daar weer iemand kennen. Ida noemt hem ‘creepy’, maar mama was blijk-baar happy met hem. Daarna is ze samen met hem op het Haringvliet in Alkmaar gaan wonen. Maar ook die man overlijdt. Ten slotte heeft ze nog een tijd iets gehad met een Turkse man, Yafuz, maar dat is dus allemaal jaren later...

In het nieuwe jaar gaan Marianne, ik en mijn vriend Dirk Jan met zijn drieën nog eens naar Parijs. Asha logeert bij de ouders van Marianne. We bezoeken ook een nachtclub met striptease. We kopen stokbrood en brie en eten dat op met een goedkoop wijntje langs de Seine vlakbij de clochards. We gaan ook nog een keer fonduen in het restaurant ‘Chez Les Fondues’ in Mont-martre. We bezoeken ook het paleis van Versailles met een grappig oud treintje.

Datzelfde jaar zal Asha ook voor de eerste keer geopereerd moeten worden. Ze krijgt een zogenoemde faryngoplastiek, waarbij het gehemelte voor een groot gedeelte gesloten wordt en er een nieuwe huig wordt aangebracht. Ik meen me te herinneren dat een tweede operatie het gehemelte pas in zijn geheel zal sluiten. Het is verscheurend om haar te moeten achterlaten. Nog verscheurender is het om haar de volgende dag terug te zien. Een zielig hoopje mens, dat pijn heeft en haar armpjes niet kan bewegen omdat er kokers omheen zitten. En er is niets dat we kunnen doen. Met een ellendig gevoel verlaten we het ziekenhuis. Ik meen dat we zelfs naar de bioscoop zijn gegaan, gewoon om de ellende te vergeten en we voelen ons daar nog schuldig over ook.

De operatie lukt overigens goed en Asha kan daarna ook veel beter drinken en haar eerste vaste voedsel naar binnen krijgen (en houden!). Liga met banaan en sinaasappelsap en Bambix. Telkens als ze haar bordje leeg is zeggen we dat het ‘op’ is. En dat is ook haar eerste woordje: “op!”

Op mijn werk gaat het steeds slechter. Ik heb al een paar keer een waarschuwing gekregen dat de kwaliteit van mijn werk echt omhoog moet. Ik baal er als een stekker en heb meer dan genoeg van het hele ziekenhuis-gebeuren. Ik zie me nog door de gangen lopen, wensend dat ik daar weg zou zijn. Ik durf zelf geen ontslag te nemen, omdat ik dan geen uitkering zal krijgen.

Op 19 augustus 1975 wordt ik bij het hoofd personeelszaken geroepen, mevrouw Heise, een hele dikke vrouw. Ik ben op staande voet ontslagen, omdat mijn houding maar niet verbetert en ik mag niet meer komen werken. Ik ben tegelijk teleurgesteld en opgelucht. Aan de ene kant heb ik gefaald, aan de andere kant ben ik eindelijk van die rot baan verlost. Ik krijg nog 5 maanden een vol salaris uitgekeerd, daarna 2 maanden 85% en daarna nog 5 maanden 80% (wachtgeldregeling). Daarna zou ik de WW in kunnen. Een schitterende regeling.

De toekomst ligt helemaal open en al heel snel weet ik wat ik het liefst zou willen doen: filosofie studeren. Ik moet er wel snel bij zijn, want het eerste semester begint al half september. Vanwege de ontoereikendheid van mijn HBO-A-diploma moet ik nog wel een soort voorexamen doen, het zogenoemde ‘Colloquium Doctum’. Ik krijg ook lesstof mee. Het examen stelt gelukkig heel weinig voor en ik ben dik geslaagd. Voordat de uitslag binnenkomt kan ik alvast beginnen aan de Centrale Interfaculteit van de Universiteit van Amsterdam aan het Roeterseiland. Op 30 september 1975 komt het bericht dat ik inderdaad geslaagd ben voor het toelatingsexamen.

Ergens in die tijd, wanneer precies weet ik niet meer ben ik met behulp van bandrecorders (een Akai en een Braun) bezig om het songboek te schrijven van Pink Floyd. Als het af is krijgen we er enkel een stapeltje songboeken van andere bands voor terug. Wel een teleurstelling. Ik denk dat er trouwens veel fouten in staan...

Ook in die tijd wordt ik lid van de NCSF, de Nederlandse vereniging van science fiction fans, die het blad Holland SF uitgeeft. Ik schrijf een keer een gedichtje in hun maandblad, dat niet goed onthaald wordt wegens te puberaal :-).

Ik lees veel science fiction en over UFO’s, astrologie en parapsychologie, over alles wat vreemd, merkwaardig of ontzagwekkend is. Ik raadpleeg de I Ching en leg Tarot-kaarten.

In het station van Zaandam hangt een poster van een schilderij van Gustave Moreau: L’Apparition. Ik vind het zeer indrukwekkend.

Doet me ook denken aan een hologig portret van Christus dat een tijd lang verkrijgbaar is bij de boekenstalletjes langs de Seine in Parijs. Ik heb er toen geen gekocht wat ik altijd jammer heb gevonden.

Ik weet niet meer wanneer het was, maar ik herinner me een feest op een woonboot in de Zaan. Ik geloof dat ook Martine de Haan er bij is. In het ruim ligt een etalagepop met daaromheen drank en eten...

Een bijzonder onverkwikkelijk akkefietje is een bezoek dat Marianne en ik brengen aan ome Jan en tante Ineke in het Noord-Brabantse Oosterhout. We worden hartelijk ontvangen en het is heel gezellig. We zijn al behoorlijk in de lorum als mijn oom en tante voorstellen om met elkaar te dansen, ome Jan met Marianne en tante Ineke met mij en met de duidelijke bedoeling dat er daarna een partnerruil plaatsvindt. Ik zie dat absoluut niet zitten. Marianne twijfelt nog, maar ik neem haar mee naar buiten. Staan we daar op het balkon van een galerijflat midden in de nacht. We kunnen nergens naar toe, dus na een tijdje zijn we gedwongen om terug aan te bellen. We worden ontvangen alsof er niets gebeurd is en gaan ‘s morgens, na een vreemd ontbijt, terug naar huis.

Ondertussen tocht ons huisje als de hel en Asha krijgt een longontsteking. De huisarts vindt dit niet kunnen en zorgt er voor dat we zeer snel een eigen huis krijgen.

alt