Universiteit van Amsterdam

1975 - 1981 Filosofie studeren

College volgen vind ik heel erg leuk. Sommige colleges vinden inderdaad plaats in een echte collegezaal, andere in meer kleinere ruimtes. De meeste colleges en werkgroepen vinden plaats in het Wiskundegebouw op het Roeterseiland. De Centrale Interfaculteit is op de 9e verdieping. Daar is ook de bibliotheek. Beneden is de kantine. Niemand verplicht mij om de colleges te volgen, maar ik ga trouw en graag naar elke les.

Qua financiën kan ik een tijdje voort op de wachtgeld-regeling van het ziekenhuis, maar ook daar komt een eind aan natuurlijk. Ik weet dat ik nog via Randstad een aantal weken gewerkt heb. In een vetfabriek slepen met vaten die afgevuld moeten worden. Er worden ook margarinevlootjes gevuld. En ik heb bij Goedhart in Zaandijk gewerkt. Er worden allerlei soorten snoep gemaakt. Veel lopendebandwerk en snoep in verpakkingen doen. Ik herinner me vooral de ananaspuntjes met chocolade. Elke vrijdag wordt er cash uitbetaald op het kantoor van Randstad aan de Peperstraat bij de brug. Met een hapje en een drankje. Best leuk. Later moet er uitbetaald worden op een bankrekening. Om de rest van mijn studie te betalen vraag ik een studiebeurs aan die wordt aangevuld door een renteloze lening. Ik heb nog jarenlang aan ‘Groningen’ terugbetaald. Maar toch is het ‘t waard geweest, ik heb een schitterende tijd meegemaakt.

Ik weet niet meer precies wat de vakken zijn die ik in de eerste semesters moet doen. Sommige zijn verplicht, sommige zijn facultatief en kan ik zelf kiezen. De bedoeling is om aan het eind van de kandidaatsperiode een bepaald aantal punten te halen. Voor sommige docenten is het voldoende als je minstens een aantal colleges of werkgroepsessies hebt gevolgd, anderen nemen aan het eind van de serie een echt examen af. Ik herinner me nog de volgende vakken:

Logica. Docent: Johan van Benthem. Propositionele en predicatieve logica.

Wetenschapsfilosofie. Boek van Stegmüller. Als laatste gedaan omdat het in het Duits is. In een later jaar doe ik filosofie van de moderne natuurkunde. Relativiteitstheorie. De docent is een Amerikaan. Boeiend.

Vergelijkende wijsbegeerte. Docent: Bruno Nagel. Hindoe systemen, boeddhisme. Verschillen in esthetische ervaring tussen Oost en West.

Filosofie van de 17e en 18e eeuw, Docent: Kees Brons. Descartes, Kant, Fichte, Schelling.

Contemporaine filosofie: Docent: Theo de Boer. Deze colleges zijn zo interessant en met veel passie gebracht dat sommigen ze tapen. Aan bod komen de Wiener Kreis, Wittgenstein, Buber, Brentano, Husserl, Sartre, Jaspers, Levinas.

19e eeuwse filosofie: Schopenhauer, Hegel, Marx (?)

Kentheorie. Ik herinner me een werkgroep over het boek ‘Zen and the Art of Motorcycle Maintenance’ van Pirsig. Fantastisch!

Philosophy of Mind. (?)

Metafysica. Docent: Otto Duintjer. Over transcendentie. Ik maak onder hem een paper over metafysica en parapsychologie. Psionentheorie.

Politieke filosofie. Dit is een werkgroep met Hans Achterhuis. We bespreken het werk van Ivan Illich. Later doe ik een werkgroep Anarchisme met hem. Zeer interessant.

Als niet-filosofisch bijvak kies ik parapsychologie. Ik moet daarvoor naar Utrecht om college te volgen bij de bijna 80 jarige prof. W.H.C. Tenhaeff. Ongelooflijk interessant. We krijgen ook een film te zien over de paragnost Gerard Croiset, de protegé van Tenhaeff, die de politie helpt bij verdwijningen. Tenhaeff heeft een theorie over het verband van traumatische gebeurtenissen in de jeugd van een paragnost en de latere specialisatie. Bij Croiset zijn dat verdrinkingsgevallen. Een van mijn medestudenten is Hans Gerding die nu het Parapychologisch Instituut in Utrecht leidt. Er zijn trouwens twee instituten, voor de gewone leerstoel en voor de bijzondere leerstoel. Ik heb ook een kijkje genomen in het gewone instituut en dat trekt me helemaal niet aan. Ze doen er proeven met ratten in een doolhof. Op aandringen van Tenhaeff lees ik onder andere het werk van J.J. Poortman over het hylisch pluralisme.

Op 21 maart 1978 krijg ik mijn kandidaatsdiploma.

Een van mijn medestudenten in mijn kandidaatsperiode is een piloot. Toffe gast met een kast van een huis in Naarden. Hij verdient veel geld en heeft ook veel vrije tijd, vandaar dat hij ook min of meer de studie kan doen. Verder heb ik eigenlijk weinig vrienden onder mijn medestudenten. Ik ga ook nooit naar studentenfeestjes. Daar heb ik geen tijd voor, want thuis wacht er een gezin. Ik ben ook wel een paar jaar ouder dan de meeste van mijn medestudenten. Bij één gast, die ook dol is op Duintjer ben ik eens op bezoek in zijn studentenhuis. Wat een puinhoop. Dat mensen zo kunnen leven. Hij is ook een keer op een verjaardagsfeestje bij mij thuis en is de hele tijd aan het lezen. Wel een aardige jongen.

Elke week krijg ik het blad Folia (Civitatis) in de bus met alle nieuwtjes en aankondigingen. Goedkoop eten kun je in Crea en goedkope koffie kun je boven in de Letterenfaculteit krijgen. Ik kom ook vaak in de Universiteitsbibliotheek (UB) aan het Koningsplein. Koffiedrinken op de trap voor de bieb of op de bankjes op het plein.

Voor mijn doctoraal kies ik als bijvak andrago(lo)gie. Hier maak ik kennis met het feminisme (Nancy Chodorow, FemSoc, de ‘Mannenmolen’ van Fasteau, Robert Bly (‘Iron John’), Doris Lessing, Anja Meulenbelt, Andreas Burnier, Luce Irigaray), met gendertoestanden (Dorothy King) en gespreksessies die op video worden opgenomen. Het persoonlijke is verschrikkelijk politiek. Een van de docenten (waarschijnlijk Gras) is bezig met het boek ‘Space, Time and Knowledge’ van Tarthang Tulku, mijn eerste kennismaking met Tibetaans Boeddhisme, maar dan zonder het religieuze jargon. De colleges vinden plaats in de faculteit Letteren. Een van de meisjes in mijn klas vind ik wel leuk. Ik kom ook bij haar thuis. Om te studeren. Er hangt een duidelijke seksuele spanning, maar ik doe er niets mee. Ik doe ‘Inleiding andragologie’ met GertJan Schuiling, het ‘interactiepracticum’ met Rob Gras en ‘Vermaatschappelijking van de socialisatie’ met Flesseman.

Het belangrijkste wat ik daar leer is dat ik zie dat ik heel vaak over mezelf in de tweede persoon praat. Heel veel mensen doen dat. Ik zie dat ik dat doe om verantwoordelijkheid voor mijn eigen daden te ontwijken: “je bent bang” i.p.v. “ik ben bang”. Vanaf die tijd praat ik altijd in de eerste persoon over mezelf.

Ik doe ook een werkgroep met drs. Lantinga (1980). Ik weet niet meer waarover het gaat (een of ander sociaal filosofisch onderwerp), maar ik word verliefd op haar. Ze is een stukje ouder, met lang grijs haar. Soms kan ik niet meer luisteren naar wat ze zegt, zo gepreoccupeerd ben ik door haar fysieke aanwezigheid. Op een gegeven moment trek ik de stoute schoenen aan en zeg haar hoe ik me voel. Ze neemt het laconiek op en zegt dat ze al met iemand is. Ik weet nog dat haar woorden me meteen ‘afkoelen’ en de verliefdheid is gedaan en ik kan de werkgroep weer ‘normaal’ meemaken.

Mijn filosofische helden zijn onder andere: Karl Jaspers, Henri Bergson, Teilhard de Chardin, Ludwig Wittgenstein, Robert M. Pirsig. Later ook nog Foucault, Deleuze en Guattari (Rhizoom!) en de geniale Paul Feyerabend.

In mijn doctoraalperiode lees ik ook het oeuvre van C.G. Jung en raak in de ban van archetypen, het kollektief onderbewuste en synchroniciteit. Als doctoraalscriptie begin ik aan een soort plakboek waarin ik mijn eigen dromen à la Jung uitleg en illustreer. De docente (M. Lanzing?) vindt dat geen goed idee en vindt mijn uitleg veel te ‘concretistisch’. Op dat moment ben ik eigenlijk feitelijk ook wel uitgekeken op de studie en besluit ermee te stoppen, temeer ook daar ik besef dat ‘denken over’ het bestaande nooit kan leiden tot een dieper begrip of invoelen van het bestaande, wel integendeel. Ik verlang ernaar om met mezelf aan de slag te gaan, de diepte in te gaan.

alt