Juliana Ziekenhuis

1971 - 1972 Personeelsflat Juliana Ziekenhuis, Zaandam

Voor mijn stage moet ik een jaar in een echt laboratorium werken. Via dr. Schuitemaker kom ik terecht in het ‘baclab’ van het Juliana Ziekenhuis. Telkens heen en weer gaan met de trein is niet te doen, dus ik zal er intern moeten wonen. Op het terrein van het ziekenhuis staat een flatgebouw van drie verdiepingen, waar veel verpleegsters wonen, de personeelsflat. Het wordt het ‘zusterhuis’ genoemd, maar pa noemt het de ‘hunkerbunker’. Ik krijg daar een kamer. Voor het eerst uit huis. Heel vreemd en best wel eenzaam. Na mijn kennismaking met Marianne besluiten we al gauw om samen te wonen op haar kamer in het zusterhuis. Mijn eigen kamer wordt een soort rommelkamer. Het kamertje van Marianne is piepklein en we slapen in een eenpersoonsbed. Van Marianne leer ik koken in de gezamenlijke keuken van onze verdieping. Ook de was doen en strijken. Soms hebben we lakens te week staan in een teil met Biotex in de wasruimte en vergeten we die. Na een paar dagen gaat dat ongelooflijk stinken. We koken meestal ‘prutjes’. Het klassieke aardappelen, groente, stukje vlees ook wel, maar veel minder. Prutjes zijn gemakkelijk en lekker. Nu zouden ze dat ‘wokken’ noemen.

Ik ben ook vrienden geworden met Fred, één van de portiers. Fred is een student en woont in Casa 400 in Amsterdam en heeft een auto. Geen freak dus, maar wel tof. We hebben wat afgelachen. Ik herinner me dat we eens urenlang de slappe lach hebben over het woord ‘prettig’.

Gedurende die maand laat ik me op een personeelsfeestje in de huiskamer van het zusterhuis verleiden door één van de verpleegsters: M. Ik ben behoorlijk dronken en ga mee naar haar kamer. De volgende ochtend heb ik enorme spijt, maar toch trek ik steeds vaker op met M., die heel anders is dan W. M. aanvaardt mij veel meer voor wie ik ben en hoe ik eruit zie. Ze komt ook uit een heel ander ‘nest’ en heeft geen last van gereformeerde ouders. Na een week of twee belt W. Ik krijg het telefoontje in de kantine van het ziekenhuis. Ik ben enorm zenuwachtig, maar heb absoluut geen zin meer in de toestanden met haar en haar ouders. Ik vertel haar dat ik iemand anders heb leren kennen, met wie ik heel blij ben. Dat was het dan. Zelfs nu nog kan ik de spijt en schuldgevoelens voelen over hoe het allemaal gelopen is.

Ik heb W. later nog gezien op mijn verjaardag. Ze is met één of andere jongen. De relatie lijkt op niets vind ik. Als cadeautje geeft ze me 4 koperen Chinese karakters.

Nog later (in 1978) gaan M. en ik bij haar op bezoek in haar nieuwe huis waar ze samenwoont met M. I. M. is een toffe gast en het klikt meteen. Hij heeft een prachtig ingericht huis met veel licht. Heel zen en spiritueel. Hij neemt ons mee naar zijn favoriete wandelgebied: landgoed Elswout. Voor de gelegenheid roken we een nieuw soort weed: ‘sinsemilla’. Enorm sterk spul en aangekomen in Elswout krijg ik mijn eerste psychedelische ervaring. De kleuren van het bos gloeien en ik kan zien hoe die machtige bomen het vocht uit de grond met een enorme kracht tot boven in de bladeren stuwen. Ik kan me helemaal inleven in dat stille, maar krachtige, plantaardige leven. Ook een grote vliegenzwam valt op zoals hij daar trots en zelfbewust op een boomstomp groeit.

Nog veel later, eind jaren ‘80 of begin ‘90 of zo ben ik W. nog eens gaan opzoeken. Via een telefoontje naar haar ouders, die ik in het telefoonboek vind, kom ik erachter waar ze woont. Ze woont in een flatje in Zandvoort Noord met haar man en kinders. Het voelt heel vreemd om daar te zijn. Ik vertel over mijn leven en dat ik sannyasin ben en blablabla en voel me duidelijk superieur aan haar. Zij heeft gekozen voor een burgerlijk leventje (vind ik) en komt praktisch de deur niet uit.

Michael Inden heeft sinds 1983 een stenenwinkel ‘De Stralende Zon’ in Haarlem.

Marianne houdt van uitgaan en voor mij is dat redelijk nieuw, zo de cafés afdweilen rond het Leidse Plein (Stones café, Bamboo Club). We gaan ook veel naar het Makerijtje in Zaandam, waar vaak kleine optredens zijn van folkartiesten. Bezoeken we ook ‘t Okshoofd in die tijd?

Werken in het bacteriologisch laboratorium is een ervaring apart. Eerst is het lab in het ziekenhuis zelf. Begane grond, naast de Röntgen. Hoofdanalyste is Margreet. Ik weet niet meer wie er nog meer werken, misschien wel niemand, alleen Schuitemaker, Margreet en ik. Margreet is een dame die zich opmaakt en een verloofde heeft. Dr. Schuitemaker is een beetje wereldvreemde oudere man. Het werk wordt al spoedig eentonig.

‘s Morgens ‘platen lezen’, die de afgelopen nacht in de broedstoof hebben gestaan. Als er iets verdachts gevonden is moet er een reincultuur van gemaakt worden. Van de reincultuur moet uitgevonden worden wat het precies is. Soms zie je dat meteen aan de kolonies of onder de microscoop, soms moet je nog nadere testen doen. Zoals bij gram-negatieve staafjes, die moeten gekweekt worden in een bonte rij. Bacteriën, waarvan de deter-minatie is gedaan moeten getest worden op antibiotica (de ‘gevoeligheden’). Daarna wordt het nieuw binnengekomen patiëntenmateriaal geënt op voedingsbodems en wordt daar de administratie van gedaan. Dit doet Margreet meestal. Het werkpatroon is elke dag hetzelfde. Schuitemaker komt wel eens op zaterdag helpen met het platen lezen samen met Margreet en doet dit veel langzamer dan Margreet dit zelf kan. Dan is er de voedingsbodemkeuken. Grote glazen erlenmeyers van 2, 3 liter vol opgelost voedingsbodempoeder moeten eerst geautoclaveerd worden in de antie ke autoclaaf waarvan de deur met een schoen wordt dichtgetimmerd. Dat moet een keer fout gaan en inderdaad knalt de deur een keer faliekant langs mijn hoofd tot aan de andere kant van het lab. Ik had er geweest kunnen zijn. Er moet een nieuwe autoclaaf worden gekocht. Als de kolven steriel zijn moeten de platen worden gegoten in een aparte ruimte, waar het werkelijk bloedheet wordt. Daarna wordt de UV-verlichting aangedaan om de boel alsnog te steriliseren. Ik herinner me o.a. Endo- en MacConkey-, bloed- en ‘chocolade’ platen. En de ‘anaerobe pot’ waaruit de zuurstof wordt vervangen door stikstof.

Tijdens de pauzes drinken we koffie in de kantine. Wij zitten aan dezelfde tafel als de meisjes van de Röntgen en de administratie. Een van die meisjes heeft de mooiste blauwe ogen die ik ooit gezien heb (Renske?). En als er iemand jarig is wordt er getrakteerd op gebak.

Op een dag is er in de kelder een grote fles formaline omgevallen. De giftige dampen komen tot bij ons in de gang.

Het patiëntenmateriaal wordt regelmatig gebracht door personeel van de afdelingen. Zo leert Marianne mij kennen, maar ik zie haar niet staan in het begin. Zij mij wel.

Behalve de routine speelt ook het steriel moeten werken mij parten. Erg precies ben ik niet en er komt al gauw commentaar op mijn manier van doen. In feite kan het me allemaal niet veel schelen. Ik vind er niks aan.

Na een paar maanden is het nieuwe lab klaar in een ruimte op de benedenverdieping van het zusterhuis. Veel groter en ruimer. We doen naast de bacteriologische testen ook zwangerschapstesten en serologie. Dat laatste vind ik een ramp, vooral de AST-testen op reuma. Wat ik wel interessant vind (eigenlijk uit arrenmoede) zijn de bacteriën die moeilijk of niet te determineren zijn. De bacteriën die niet te bepalen zijn, maar wel ziekte verwekken, worden opgestuurd naar het RIV in Bilthoven, onder dr. Jan Borst. De rest wordt afgedaan als contaminatie. Daarvan hebben de gele Flavobacteriën mijn bijzondere aandacht. Ik probeer ze toch op naam te krijgen en leg een verzameling aan. Margreet tolereert mijn ‘hobby’.

Ik heb voor mijn opleiding nog een paar weken stage mogen lopen op het RIV in Bilthoven op het lab van Dr. Borst. Leuke man, enthousiast in zijn werk. Te enthousiast voor het ziekenhuis in Alkmaar. Eigenlijk is hij weg gepromoveerd om uitgebreid zijn hobby te kunnen doen in Bilthoven. Hij ziet het wel zitten als ik voor hem zou kunnen werken. Ik heb dit tot drie keer toe geprobeerd, zonder resultaat. Ondertussen maak ik modellen van bacteriële verwantschap tussen de Enterobacteriaceae met behulp van piep- schuim bollen en saté-prikkers om zo tot een 3-D-model te komen. Dr. Borst laat mij de eerste uitslagen zien van computermodellen en beweert dat dit de toekomst is (in 1972!). Op het lab van het Juliana hebben we nu ook de nieuwste soort bonte rij, het zogenoemde API-systeem. Duur maar interessant voor mijn hobby. Af en toe mag ik er eens gebruik van maken.

http://www.microbiologie.info

Er komen op het nieuwe lab nieuwe mensen werken. Djoeke Passchier is een leuke meid. Ik vind haar lief en mooi, zelfs het vele haar op haar armen en benen. Maar ja, ik ben bezet en strikt monogaam. Vincent Joe is een zwarte jongen uit Curaçao. Hij is nogal dik en een echte bon vivant. Ik heb wat afgelachen met die gast. Een van de weinige mensen die ik graag nog eens terug zou willen zien, wat niet meer kan, want overleden. Vincent heeft al gauw verkering met een verpleegster die Alida Mas heet. Zij is ook zwart, maar opgegroeid in Indonesië. Vincent presteerde het anyway om een keer in een middagpauze een snelle wip te maken met Djoeke. Ik ben best wel jaloers dat hij daar zo gemakkelijk mee omgaat. Ik wil dat ook wel doen, maar vind dat ik dat niet kan maken. Vincent vindt mij daarin verkrampt...

Regelmatig moeten de duiven in het duivenhok geprikt worden. Ik weet niet meer waar dat duivenbloed voor dient, waarschijnlijk voor serologische testen. Anyway, het prikken is ook een excuus voor Vincent en mij om er een half uurtje van tussen te gaan...

Later hebben we menig feestje met Vincent en Alida gedaan. Ik kan me vooral nog een nieuwjaars-feestje herinneren, met veel Koot en Bie, slechte nederwiet en drank (“Wij zijn zo stoned, als een garnaal”). Ik herinner me ook levendige discussies over racisme en over muziek.

Schuitemaker heeft me ook nog 2 weken laten werken op zijn lab in Alkmaar. Er werkt nog een nerd waar ik nauwelijks contact mee heb. Niet leuk.

alt